Lezen was lange tijd de koninklijke route naar kennis. Wie iets wilde weten, pakte een boek, een krant of een tijdschrift. Je begon op pagina één en eindigde ergens verderop. Onderweg las je ook wat niet direct nodig leek. Soms bleek juist dat later van waarde. Soms was het verspilde tijd. Jammer dan.
Die vanzelfsprekendheid staat onder druk. Wie vandaag iets wil weten, kan kiezen uit een zoekmachine, een filmpje, een podcast, een infographic, een samenvatting of een gesprek met kunstmatige intelligentie. Informatie is sneller beschikbaar dan ooit. Voor veel praktische vragen is dat winst. Niemand hoeft nog een handleiding van twintig pagina’s door te nemen om één knop te vinden.
Toch is snelle informatieoverdracht niet hetzelfde als leren. En lezen niet hetzelfde als door een tekst heen flitsen.
Dat bleek opnieuw toen de resultaten van het internationale PISA-onderzoek 2025 van de OECD onlangs verschenen. De commotie was groot. Jongeren lezen minder goed, zo luidde de boodschap. Schermen, afleiding en kunstmatige intelligentie werden meteen als mogelijke verklaringen genoemd. Dat is begrijpelijk, maar een internationaal vergelijkend onderzoek vertelt nooit het hele verhaal en is niet gericht op het leggen van causale verbanden. Wel maakt PISA iets zichtbaar wat moeilijk te ontkennen is: geconcentreerd lezen staat onder druk.
We lezen steeds vaker in korte stukken. We springen van de ene link naar de andere, bekijken een kop, scannen een tekst en zijn alweer vertrokken. Lezen fragmenteert. Dat is niet per definitie verkeerd. Oriënterend en zoekend lezen zijn belangrijke vaardigheden geworden. Maar wie voortdurend alleen nog zoekt naar het ene bruikbare antwoord, oefent minder met het volgen van een gedachtegang, het leggen van verbanden en het verdragen van enige ingewikkeldheid.
Daarmee wordt lezen niet overbodig. Het wordt wel minder vanzelfsprekend.
Een video kan iets snel voordoen. Een infographic kan een ingewikkeld geheel overzichtelijk maken. Een AI-samenvatting kan helpen om de hoofdlijn te zien. Maar wie een complex onderwerp werkelijk wil doorgronden, heeft vaak meer nodig dan een snelle indruk. Dan moet je teruglezen, twijfelen en verbanden leggen. Precies daar is geconcentreerd lezen sterk in. Heel sterk.
Lezen heeft overigens niet altijd een praktisch doel. Niet ieder boek hoeft informatie op te leveren die we direct kunnen gebruiken. Wie fictie leest, stapt een andere wereld binnen. Je leert kijken door de ogen van iemand die je niet bent. Je leeft mee met personages, voelt spanning, herkent twijfel of ontdekt dat een ander leven toch niet zo ver van het jouwe afstaat.
En soms lees je gewoon omdat een verhaal mooi is. Omdat een zin blijft hangen. Omdat je een boek niet wilt wegleggen. Genieten van literatuur is geen luxe die pas aan de orde komt wanneer alle nuttige leesdoelen zijn behaald. Het is een wezenlijk onderdeel van lezen.
Ook in het onderwijs hoeven we dus niet te kiezen tussen vroeger en nu. Leerlingen moeten leren schakelen: scannen als dat kan, lezen als het nodig is, diep lezen als het onderwerp daarom vraagt en vrij lezen omdat literatuur iets met je kan doen.
Informatie wordt steeds sneller doorgegeven. Dat is prettig. Maar kennis, inzicht en leesplezier ontstaan vaak pas wanneer we durven te vertragen. En laat dat trage boek daar nu juist een uitstekend hulpmiddel bij zijn. Soms is de koninklijke route naar kennis dus gewoon een omweg. Gelukkig maar.
Jos Cöp
